Interview Jensma: 'Als je gelooft dat iets niet rechtvaardig is, doe het dan niet'.

Folkert Jensma volgt als juridisch commentator voor de NRC nu zo’n 10 jaar de ontwikkelingen die de Nederlandse rechtsstaat betreffen. Vorige maand gaf hij in Den Haag op uitnodiging van de Nederlandse orde van advocaten de Gerbrandylezing. Hij was kritisch en zag problemen met de toegang tot het recht. Ziet hij ook oplossingen? ‘Misschien moet er maar eens naar de topsalarissen in de advocatuur gekeken worden.’

Heeft u een persoonlijke missie bij het volgen van de juridische wereld?
‘Ja, die richt zich op het idee van de rechtsstaat. Mijn engagement betreft de mensen- en burgerrechten. Als de overheid die rechten in het nauw brengt of beperkt, dan gaan mijn stekels overeind staan.’

Leeft dat engagement genoeg bij advocaten?
‘In functionele zin zeer zeker. Vraag ernaar en iedere advocaat die ik ken, verdedigt de rechtsstaat coherent en met passie. Daar twijfel ik niet aan.’

‘Maar ik heb wel aarzelingen bij de beroepsethiek. Ik ben voor mijn lezing terug naar de eed gegaan: ‘Ik zal geen zaken aanraden of verdedigen die ik in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn’. Ouderwets geformuleerd, maar daarin wordt gevraagd om een eigen oordeel van de advocaat over de kwestie waarin hij moet adviseren. En dan zie je toch een groot deel, hoe groot laat ik in het midden, dat te dicht kruipt op belangen die een redelijk mens niet rechtvaardig kan vinden.’

‘Je ziet dat als er zich grote maatschappelijke zaken voordoen die de openbare orde bedreigen, dat er iets te vaak in de marge een gespecialiseerd advocatenkantoor betrokken is. Die helpt dergelijke dingen mogelijk te maken en legt de afnemer uit tot hoever ze kunnen gaan. Aan dat type advocatuur heb ik een broertje dood. Mijn taak is dan om in zo’n lezing te zeggen: ‘Bedenk wat je doet en voor wie. Kun je daarover op een verjaardag vertellen? Of tegen je moeder?’

‘Ik vraag me af of zo’n gesprek gevoerd wordt in de advocatuur. Volgens mij in ieder geval niet al te duidelijk. Spreek elkaar aan, dat is belangrijk.’

Heeft het ontbreken van die discussie ook met een tweedeling in de balie te maken? Zeg maar tussen de commerciële advocatuur en de sociale?
‘Je hebt eigenlijk twee balies. Dat is geen originele observatie. Een derde van de advocatuur is afhankelijk van toevoegingen en de overige twee derde leeft in een andere wereld en is feitelijk alleen juridisch adviseur. Veel van die advocaten zien nooit een rechter. Ik bedoel dat niet neerbuigend, maar dat deel is zeer ver verwijderd van de gewone advocatenpraktijk.’

Wat zijn daarvan de gevolgen?
‘Dat er te weinig solidariteit is. Er is bijvoorbeeld al een decennium of langer een probleem met toevoegingen en men komt er samen niet uit. Men is niet in staat te formuleren wat de eigen bijdrage van de advocatuur aan de rechtsbijstand moet zijn.’

‘Men staat in hoge mate met de rug tegen elkaar. En dat in een periode waar het er echt om spant; je ziet dat de sociale advocatuur op apegapen ligt. Zelfs dan komt men niet heel veel verder dan nog eens aandringen op extra geld van de overheid.’

‘Die blik naar binnen komt maar niet. Denk aan de bescherming en privileges die de advocatuur heeft gekregen: het procesmonopolie, zelf het eigen beroep mogen reguleren, het verschoningsrecht bij de rechter. In ruil daarvoor moet je als dienaars van de rechtsstaat helpen om toegang tot het recht te helpen verwezenlijken. Maar de noblesse oblige-vraag lijkt niet te spelen.’

‘In mijn lezing zeg ik dat je de advocatuur moet zien als een publiek stelsel. Degenen die ik eerder beschreef en erg rijk worden, mogen in dat stelsel meedoen. Dan is solidariteit met het hele stelsel part of the deal. Je kunt niet met je rug naar het andere deel, in dit geval de sociale advocatuur, gaan staan.'

Wat kan een oplossing zijn?
‘Verantwoordelijkheid nemen kan op allerlei manieren. We hadden in de krant een stuk van een advocaat die zei dat hij best een stuk of vijf pro-deo zaken per jaar wilde doen. Maar dan roepen de andere advocaten gelijk: ‘Weet je wel hoe ingewikkeld ons vak is?’ Natuurlijk zitten er aan elke oplossing nadelen.’

‘Misschien moet het dan niet in de vorm van vijf zaken, maar moeten de grote kantoren de koppen bij elkaar steken en zelf een dependance, sociaal kantoor, een holding of verzamelgebouw inrichten en daar onderdak bieden aan een aantal sociale advocaten die meedoen binnen de structuur van het kantoor. Geef ze ondersteuning op commercieel gebied, maar vraag ze niet om te voldoen aan de omzetvereisten, wel aan de sociale plicht.’

En als dat niet werkt?
‘Misschien moet er maar eens naar de topsalarissen in de advocatuur gekeken worden. Bij de publieke omroep en de zorg gebeurt dat ook. Er zijn advocaten die het drie- of viervoudige verdienen van wat de president van de Hoge Raad verdient. Waarom moet dat?’

‘Misschien moet ook hier worden afgetopt, en er op een andere manier met de balie worden onderhandeld over de verdeling van inkomen en kennis. De Orde is immers een publiekrechtelijke beroepsorganisatie. Misschien moet er van haar verordenende bevoegdheden op een andere manier gebruik gemaakt worden.’

‘Daar is politieke en maatschappelijke druk voor nodig. Maar op deze manier doorsukkelen en aankloppen bij Den Haag en zeggen dat het met publieke financiering moet, onder het mom ‘en val ons verder niet lastig’, dat is niet goed en niet meer houdbaar.’

Met dit in het achterhoofd, wat zou u jonge advocaten aan het begin van hun carrière willen meegeven?
‘Begin in een goed kantoor met een brede maatschappelijke praktijk waarin je de samenleving leert kennen. Doe brede ervaring op, leer een aantal rechtsgebieden kennen en ga dan pas klimmen op je carrièreladder; bij een groter kantoor in de adviespraktijk of in een niche. De charme van de advocatuur is dat je maatschappelijk actief bent.’

‘En neem die eed serieus. Als je gelooft dat iets niet rechtvaardig is, doe het dan niet.’

Lees hier een bewerkte versie van Jensma's Gerbrandylezing


Folkert Jensma





Delen FacebookTwitterLinkedin